Op 7 mei bereikten de leiders van de EU met zes voormalige Sovjet landen -Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Georgië, Moldavië en Oekraïne- een akkoord over een formeel partnerschap in Praag. Rusland is hier niet blij mee en ziet het akkoord als een uitbreiding van Europa’s invloedssfeer ten koste van Rusland.
Door Maxim Moussa, Stagiair Alfred Mozer Stichting / European Forum for Democracy and Solidarity
Een belangrijk deel van de Europese leiders was niet aanwezig op deze top, onder andere de leiders van Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Spanje ontbraken, allen stuurden zij afgevaardigden. Ook van de Oost-Europese landen stuurden de Wit-Russische leider Lukashenko en Moldavië’s leider Voronin afgevaardigden in hun plaats. Over beide landen is Europa kritisch; over Wit-Rusland vanwege de mensenrechten situatie en slechte staat van de democratie en Moldavië vanwege het hardhandig neerslaan van jongerendemonstraties na de parlementsverkiezingen van 5 april jl. De gastheer, vertrekkend premier van Tsjechië Topolanek, zei overigens dat het Oostelijk partnerschap het Wit-Russische regime niet legitimeert, zeker omdat Lukashenko zelf niet welkom was.
Het partnerschap moet de deelnemende landen de mogelijkheid bieden nauwer samen te werken met Europa. Het akkoord kan gezien worden als een uitbreiding van het European Neighbourhood Policy (ENP). Het grote verschil met het ENP is dat dit akkoord een multilateraal forum biedt aan zes landen, terwijl het ENP gericht is op bilaterale relaties met alle landen aangrenzend aan de EU. In theorie gaat de regionale samenwerking dan ook verder dan binnen het ENP. Tegelijkertijd is het een reactie op de Mediterrane Unie die Sarkozy initieerde in 2008 tijdens het Franse voorzitterschap van de EU. Die was gericht op het verbeteren van samenwerking tussen de EU en 17 niet-EU landen rond de Middellandse zee. Het partnerschap biedt 600 miljoen euro voor projecten zoals betere wegen en grensbewaking tot 2013. Verder werden het versterken van economische integratie (met de Europese Unie), energieleveranties, mensenrechten, democratie, grenscontroles en goed bestuur genoemd in de verklaring. Duitsland, België, Luxemburg en Nederland kregen het voor elkaar in de ontwerptekst de voormalige Sovjet landen niet te betitelen als ‘Europese landen’ maar als ‘Europese partners’. De EU landen wilden duidelijk niet de indruk wekken dat lidmaatschap in de toekomst mogelijk is, al is dit niet volledig uitgesloten. Ook afspraken over visa werden op de lange baan geschoven. Moldavië vond daarom dat het partnerschap niet ver genoeg ging. Rusland reageerde negatief op het partnerschap, omdat het als een bedreiging van haar invloedssfeer ziet. De EU gaf aan dat het partnerschap niet tegen Rusland is gericht en dat Rusland en Turkije kunnen meedoen in sommige programma’s van het partnerschap.
Volgens Europese leiders is het partnerschap belangrijk om tot betere afspraken te komen over economie, klimaat en energieleveranties en om stabiliteit te bevorderen in deze landen. Hoewel dit belangrijk is, valt te bezien in hoeverre dit akkoord een grote stap is daarin. Het is vooral een theoretische uitbreiding van het ENP, maar bevat weinig concrete afspraken, zeker op het gebied van democratisering. Daarnaast is het bedrag van 600 miljoen euro relatief bescheiden gezien alle gebeurtenissen en politieke instabiliteit in deze landen. De Europese landen zijn dan ook terughoudend in het aangaan van verdergaande samenwerking met instabiele buurlanden. Ook wil de EU Rusland niet teveel tegen het hoofd stoten en het land bij activiteiten in de regio betrekken. De afwezigheid van een groot aantal Europese leiders in Praag sprak dan ook boekdelen.