Vertrekkend Europarlementariër Jan Marinus Wiersma
30 maart 2009
Jan Marinus Wiersma (1951) studeerde Geschiedenis in Groningen. Na verschillende functies binnen de PvdA te hebben bekleed, zoals campagneleider en internationaal secretaris is Jan Marinus vanaf 1994 Europarlementariër voor de PvdA. De afgelopen vijf jaar was hij ook nog vice-voorzitter van de PES fractie. Na de komende Europese parlementsverkiezingen geeft hij het stokje door aan ‘nieuwe’ parlementariërs. Wat was zijn drijfveer om 15 jaar lang in het Europees Parlement te zitten? Wat vindt hij zelf zijn grootste prestatie? Hieronder een interview met Europarlementariër Wiersma.
Hoe kijkt u terug op uw baan als Europarlementariër?
Met veel plezier, want het heeft me in staat gesteld ontzettend veel mensen te ontmoeten en samen te werken met politici en maatschappelijke organisaties uit de hele wereld. Met trots, omdat ik denk dat we veel bereikt hebben. En met bescheidenheid, want als individuele europarlementariër is je invloed beperkt en de uitdagingen voor Europese samenwerking zijn er niet kleiner op geworden. Wat zijn de grootste verschillen tussen het moment dat u aantrad en nu?
Het werk van het Europees Parlement is in die tijd veel belangrijker geworden voor de Europese Unie. Zeker in de jaren negentig is de rol van het EP geëvolueerd van een adviserende naar een van medewetgever. In buurlanden en landen waarmee de EU samenwerkt wordt het werk van het Europees Parlement scherp in de gaten gehouden. Als regering heb je daar vaak echt wat uit te leggen als het EP kritiek levert. Ik heb natuurlijk ook zelf een ontwikkeling doorgemaakt. Ik ben begonnen als ‘junior’ van een delegatie met het politieke zwaargewicht Hedy d’Ancona aan het hoofd; daar heb ik veel van geleerd. De laatste vijf jaar was ik vice-voorzitter van de 220-koppige sociaal-democratische fractie, een baan met behoorlijk wat verantwoordelijkheid, want je moet proberen al die nationale delegaties op één lijn te krijgen.
Wat heeft de uitbreiding voor verschil gemaakt in het EP?
Het werk in het Europees Parlement heeft er altijd om gedraaid om een gezamenlijke inzet te vinden uit heel uiteenlopende posities. Dat is niet veranderd na de uitbreiding. Aan de andere kant is de afgelopen vijf jaar ook duidelijk geworden dat in de nieuwe lidstaten een soms fundamenteel andere kijk bestaat op de geschiedenis van Europa. In West-Europa is Europese samenwerking sterk verbonden met het einde van de Tweede Wereldoorlog. Voor de nieuwe lidstaten gaat het over het einde van het communisme en de overgang naar een democratisch bestel. Die historische tweespalt – de verschillende perspectieven op de Europese geschiedenis - houdt me de laatste tijd erg bezig. Waar kijkt u met trots op terug?
Mijn werk als rapporteur voor de toetreding van Slowakije, vanaf 1999 tot aan de toetreding van dat land in 2004 is heel bijzonder geweest. Onder de autoritaire president Meciar was het land de aansluiting met de EU kwijtgeraakt, maar in 1998 kozen de Slowaken ondubbelzinnig voor een andere koers, die van Europese integratie. Ik werd vanuit het Europees Parlement verantwoordelijk om hun voorbereidingen op het EU-lidmaatschap te volgen. Dat was ‘stick en carrot’ in de praktijk. Mijn rapportages waren altijd bemoedigend, maar ook kritisch. De Slowaakse regering moest weten wat wij vonden van hun vooruitgang en waar de tekortkomingen zaten. Als je een gezamenlijke doelstelling hebt, werkt dat het beste. Omdat ik in Bratislava serieus genomen werd, kon ik ook op concrete hervormingen aandringen, bijvoorbeeld rond de situatie van Roma. Dat werd door de rapporteurs voor de andere kandidaat-landen opgepikt. In alle bescheidenheid denk ik dat daarmee wel de basis is gelegd voor de Europese aandacht voor Roma. Wat was de grootste crisis die u heeft meegemaakt?
Zonder twijfel, de oorlogen op de Balkan. Die kwamen als een enorme schok, ook omdat ze parallel liepen aan de democratische transitie in Centraal Europa. De vrijheid na de val van de muur, mondde in Joegoslavië uit in een burgeroorlog, het ergste gewapende conflict in Europa na de Tweede Wereldoorlog. Dat heeft een diepe impact gehad. En het maakte duidelijk dat Europa voor een uitdaging stond waar het op dat moment geen antwoord op had. De Europese samenwerking op het buitenlands terrein heeft er een enorme impuls door gekregen. Hoe ziet u de toekomst van het uitbreidingsproces?
Ik denk dat we het uitbreidingsproces minder op één leest moeten schoeien. De uitdagingen voor de verschillende landen waarmee we onderhandelen zijn totaal anders. Turkije is niet te vergelijken met de Balkan, waar we nog altijd in een postconflict situatie die de interne politieke dynamiek compliceert. De EU is daar de ultieme garantie voor een vreedzame en stabiele toekomst. Maar de benodigde compromissen moeten wel van binnenuit komen. De EU biedt een uitgestoken hand. Daarmee kunnen we invloed uitoefenen op de interne politiek in landen als Bosnië of Albanië, maar het moet tegelijkertijd glashelder zijn dat de politici zelf verantwoordelijk zijn voor de toekomst van hun land. Tegelijkertijd zullen we meer aandacht moeten hebben voor het draagvlak onder onze eigen bevolking; en die staat veel kritischer tegenover het opnemen van nieuwe landen dan vroeger. Dat draagvlak kun je alleen creëren door in brede zin naar Europese samenwerking te kijken. Het gaat niet alleen om de vraag of we Servië er wel of niet bij willen. Als kiezers zien dat de EU hun belangen serieus neemt en beschermt, zullen ze ook meer open staan om de voordelen van lidmaatschap uit te breiden naar nieuwe landen. Hoe is de PvdA veranderd t.a.v. de EU-uitbreiding?
De PvdA staat kritischer tegenover uitbreiding. Volgens mij is dat niet meer dan logisch omdat het karakter van het uitbreidingsproces veranderd is. Tot 2004 waren we toch bezig met een soort ‘historische opdracht’: de integratie van voormalig socialistische landen in de EU na de val van het Communisme. Over de noodzaak daarvan bestond, zowel in de oude lidstaten als in de kandidaten, grote overeenstemming. Nu kijken we veel meer naar de effecten van de uitbreiding. Ik denk dat die over het algemeen positief zijn geweest, maar voor velen misschien weinig tastbaar. Wat gaat u nu doen?
Het is een bewuste keus geweest om te stoppen. Na 15 jaar in het EP en daarvoor 7 jaar voltijds internationaal secretaris van de PvdA vond ik het tijd om ruimte te maken voor nieuw bloed in de PvdA vertegenwoordiging in het EP. Maar ik wil zeker actief blijven, vooral op die terreinen die me het meest na aan het hart liggen: Europees buitenlands beleid, Roma, relaties met Rusland en andere buurlanden en de uitbreiding van de EU. Maar ik wil me ook in bredere zin bezighouden met de manier waarop Brussel en de Europese hoofdsteden Europese samenwerking benaderen. Veel van de kritiek op de EU, ook in de PvdA, is vaak wel degelijk terecht. Maar het ontneemt ons soms wel een eerlijke blik op het belang van Europese samenwerking. Ik wil er aan bijdragen dat perspectief zo te kantelen dat we beter zicht krijgen op waarom we eigenlijk samenwerken in Europees verband. De invulling van mijn werk staat nog in de steigers, maar ik heb al een aantal gesprekken gevoerd, ook internationaal. Ik heb bijvoorbeeld een uitnodiging om een aantal gastcolleges te geven aan de Wit-Russische universiteit in ballingschap, in Vilnius. Dat is een bijzondere kans en bovendien een plaats waar ik mij ervaringen kan overbrengen aan een nieuwe generatie. |